Wilt U de antwoordkaart losmaken, die in deze les is meegegeven. Gebruik de kaart voor het beantwoorden van onderstaande 40 vragen. Kruis de cirkel aan van elk juist antwoord, frankeer de kaart en zendt het terug voor beoordeling. Uw beoordeelde kaart zal binnen 4-6 weken na Uw inzending geretourneerd worden. Wilt U deze bladzijden van de toets niet verwijderen of ter beoordeling opsturen; houdt de toets voor Uw eigen overzicht en stuur alleen de bijgaande antwoordkaart terug.
Volgens Johannes 6:38 kwam Jezus Christus uit de hemel om:
a. Zijn eigen wil te doen
b. Zijn Vaders wil te doen
c. De wil van de mensheid te doen
d. Geen van bovenstaande
Wat zei Jezus in Matteüs 28:19-20, dat Zijn discipelen moesten doen?
a. Discipelen maken van alle volken
b. De nieuwe discipelen te dopen
c. Alles te onderwijzen wat Hij geboden had
d. Al het bovenstaande
Wat adviseerde Jezus in Matteüs 19:17 degenen, die eeuwig leven zochten?
a. De geboden te houden
b. Regelmatig te bidden
c. Gods genade te accepteren
d. God lief te hebben
Welke richtlijnen gaf Jezus over hoe met anderen om te gaan? Matteüs 5:43-44?
a. Uw vijanden liefhebben
b. Degenen zegenen, die U vervloeken
c. Beide a en b
d. Geen van bovenstaande
Wie zullen Gods Koninkrijk binnen gaan?
a. Allen, die God aanroepen
b. Degenen, die goed zijn
c. Allen, die God kennen
d. Degenen, die Gods wil doen
Jezus zei aan Zijn volgelingen (Markus 16:15) om het Evangelie te prediken:
a. Aan degenen, die Hij geroepen had
b. Aan de uitverkorenen
c. Aan elk schepsel
d. Totdat Elia kwam en ging
Volgens 1 Petrus 2:21 liet Christus' leven:
a. Een voorbeeld na om te volgen
b. Vrijheid van schuld na
c. Ons volmacht na om alle dingen te doen
d. Geen van bovenstaande
Op welke dag stortte God voor het eerst Zijn Heilige Geest uit over de discipelen van Christus? (Handelingen 2:1-4):
a. Pascha
b. Pinksteren
c. Pasen
d. Kerstmis
Volgens Handelingen 5:12 deden de Apostelen, vervuld van Gods Heilige Geest:
a. Tekenen
b. Wonderen
c. Wat zij wilden
d. Beide a en b
God heeft aan Christenen een geest van (2 Timoteüs 1:7):
a. Kracht gegeven
b. Liefde gegeven
c. Gezond verstand gegeven
d. Al het bovenstaande
Volgens 1 Korintiërs 13:13 is de grootste geestelijke eigenschap:
a. Geloof
b. Hoop
c. Liefde
d. Al het bovenstaande
In Handelingen 9:2 noemden Christenen hun gewoonte:
a. De weg
b. De sekte
c. De mythologie
d. Al het bovenstaande
Welke handelswijzen verwerpt Paulus in Efeze 5:3?
a. Ontucht
b. Hebzucht
c. Alle onreinheid
d. Al het bovenstaande
Welke richtlijnen gaf Christus in Matteüs 6:5-7 met betrekking tot bidden?
a. Bid in afzondering
b. Vermijd nutteloze herhalingen
c. Beide a en b
d. Geen van bovenstaande
In Matteüs 6:9-15 gaf Christus de discipelen:
a. Een gebed om woordelijk te herhalen
b. Een gebed om in het openbaar te worden herhaald
c. Een voorbeeld voor onze persoonlijke gebeden
d. Geen van bovenstaande
In Johannes 16:23 onderwees Christus de discipelen om te bidden:
a. In Zijn naam
b. In de naam van overleden Christenen
c. Beide a en b
d. Geen van bovenstaande
In Handelingen 6:4 gaven de Apostelen hun wens te kennen om:
a. Zich terug te trekken uit het actieve dienaarschap
b. Zich voortdurend te wijden aan bidden en het dienaarschap
c. Banen te vinden om hun dienaarschaap te ondersteunen
d. Geen van bovenstaande
In Efeze 6:19 vroeg Paulus aan de Efeziërs te bidden, dat God hem
a. Verlossing wilde geven
b. Kracht
c. Troost
d. Voedsel
Waarom verhoorde God volgens Jesaja 59:1-3 de gebeden van sommige mensen niet?
a. Hun ongerechtigheden
b. Hun kalmte
c. Zijn vermoeidheid
d. Zijn wijsheid
Volgens Psalm 34:15 zijn Gods ogen gericht op:
a. De volmaakten
b. De rechtvaardigen
c. De Verlosten
d. De wijzen
Jakobus 5:14 legt uit, dat iemand die ziek is, moet:
a. Vragen om gezalfd te worden met olie door de oudsten
b. Een arts flink moet betalen
c. Alle behandelingen moet mijden als men ziek is
d. Geen van bovenstaande
Volgens Jakobus 1:6 is iemand, die twijfelt:
a. Als een golf, die op zee heen en weer slingert
b. Wijs om Gods wegen te betwijfelen
c. Liefde toont van God
d. Geen van bovenstaande
In Jesaja 41:8 noemt God Abraham Zijn:
a. Vriend
b. Slaaf
c. Herder
d. Adviseur
In Exodus 33:11 behandelde God Mozes als Zijn:
a. Vriend
b. Slaaf
c. Herder
d. Adviseur
In Psalm 23:1 beschrijft koning David God als zijn:
a. Vriend
b. Slaaf
c. Herder
d. Adviseur
In Handelingen 13:22 beschrijft God Koning David als:
a. Een wijs en dapper strijder
b. Een man naar Zijn eigen hart
c. Een vriendelijke heerser
d. Een man van vrede
Toen koning David zijn lasten op God wierp, merkte hij op, dat God hem zou (Psalm 55:22):
a. Uitdagen
b. Bedroeven
c. Afwijzen
d. Behouden
Waarin spoorde Petrus in 2 Petrus 3:18 ons aan om te groeien, met betrekking tot onze Heer en Verlosser?
a. Genade
b. Kennis
c. Beide a en b
d. Geen van bovenstaande
In 1 Petrus 5:5 worden wij er aan herinnerd, dat God genade geeft aan de:
a. Nederige
b. Hoogmoedige
c. Doorzetters
d. Wijzen
In Openbaring 3:21 legt Jezus Christus uit, dat Hij wilde, dat Zijn volgelingen iets deden, wat Hij ook deed:
a. Prediken
b. Overwinnen
c. Leren
d. Geen van bovenstaande
Overwinnaars zullen ontdekken, dat wat betreft het Boek des Levens (Openbaring 3:5):
a. Hun namen niet uitgewist zijn
b. Hun namen uitgewist zijn
c. Hun namen niet opgenomen zijn
d. Geen van bovenstaande
In Matteüs 4:4 onderwees Jezus, dat Zijn volgelingen moeten leven volgens:
a. Het Oude Testament
b. Het Nieuwe Testament
c. Elk woord van God
e. De woorden, die ons aanstaan
Volgens Psalm 119:97 mediteerde koning David over Gods wet:
a. De hele dag
b. Iedere Sabbat
c. Wanneer hij tijd had
d. Als hij moeilijkheden had
Paulus maande Christenen aan om over dingen te mediteren, die (Filippenzen 4:8):
a. Waar en bewonderenswaardig zijn
b. Eerlijk en puur
c. Lieflijk en prijzenswaardig
d. Al het bovenstaande
Uit Handelingen 9:9 leren wij, dat Paulus drie dagen nadat God Hem riep:
a. Feest vierde
b. Vastte
c. Zong
d. Huilde
Hebreeën 11:1 definieert geloof als:
a. De essentie van dingen waarop gehoopt wordt
b. Het bewijs van dingen, die niet gezien worden
c. Beide a en b
d. Geen van bovenstaande
Sara ontving kracht om een kind te dragen, zelfs op haar vergevorderde leeftijd, door (Hebreeën 11:11):
a. Medicijnen
b. Rust
c. Wijsheid
d. Geloof
Van welke geestelijke hulpmiddelen benadrukte Jezus Christus in Matteüs 17:21 het speciale belang?
a. Gebed
b. Vasten
c. Beide a en b
d. Geen van bovenstaande
Volgens 1 Johannes 2:3 weten wij, dat wij God kennen als wij:
a. Zijn geboden houden
b. Zijn genade accepteren
c. Zijn leerstellingen kennen
d. Naar Zijn Woord luisteren
Welke term leerde Jezus in Matteüs aan Christenen om te gebruiken als God direct aangesproken wordt in gebed?
a. Heer
b. Jahweh
c. Vader
d. Koning