leeg Home Page
Literatuur
Bijbel Studie Cursus

leeg © Living Church of God

Bijbel Studie Cursus

leeg
DE WERELD VAN MORGEN

Toets Bijbel Studie Cursus

Lessen 9-12

     Nu U de lessen 9-12 van de De Wereld van Morgen Bijbel Studie Cursus heeft voltooid, bent U klaar om te repeteren, wat U heeft geleerd. De onderstaande vragen zijn gemaakt om U een overzicht te geven van de stof, welke U eerder bestudeerd heeft; alle antwoorden kunnen in de bladzijden van de laatste vier lessen gevonden worden en zijn uit de Bijbel afkomstig.

     Wilt U de antwoordkaart losmaken, die in deze les is meegegeven. Gebruik de kaart voor het beantwoorden van onderstaande 40 vragen. Kruis de cirkel aan van elk juist antwoord, frankeer de kaart en zendt het terug voor beoordeling. Na ontvangst van Uw antwoordkaart wordt U automatisch ingeschreven voor de lessen 13-16. Uw beoordeelde kaart zal binnen 4-6 weken na Uw inzending geretourneerd worden.

     Wilt U deze bladzijden van de toets niet verwijderen of ter beoordeling opsturen, houdt de toets voor Uw eigen overzicht en stuur alleen de bijgaande antwoordkaart terug.

• • • • • • •

  1. Christus zei, dat Zijn boodschap gepredikt zou worden (Matteüs 24:14) :

    a.   Aan een paar geselecteerde volken, die door God       gezegend zijn.
    b.   Aan alle volken, als een getuigenis, voordat het       einde zal komen.
    c.   Op een nieuwe manier, gemengd met heidense       praktijken om de wereld te bekeren.
    d.   Geen van bovenstaande.

  2. Het gebruik van het Oudtestamentische boek Jesaja door Filippus laat zien dat(Handelingen 8:30-40) :

    a.   Het Oude Testament is niet van toepassing voor een       Christen.
    b.   Jezus Christus bewees, dat de boodschap van Jesaja       verkeerd was.
    c.   De Apostels accepteerden Jesaja als een geïnspireerd       Geschrift, die naar Jezus Christus verwijst.
    d.   Christenen moeten het Oude testament niet lezen.

  3. Volgens de Apostel Paulus was het evangelie (Hebreeën 3:16-19; 4:1-2) :

    a.   Voor Jezus Christus bekend bij alle volken.
    b.   Onbekend bij het oude Israël
    c.   Gepredikt aan het oude Israël, die het accepteerde en       omarmde
    d.   Gepredikt aan het oude Israël, dat zonder geloof hun       niet tot nut was.

  4. Hoe zal Jezus Christus degenen, die behouden zijn, noemen? (Hebreeën 2:9-11)

    a.   De Heilige Geest
    b.   Vaders van God
    c.   Engelen
    d.   Zijn broeders en Gods kinderen

  5. Paulus predikte, dat Christenen het Koninkrijk kunnen ingaan (Handelingen 14:22) :

    a.   Na aanvaarding van Jezus Christus
    b.   Automatisch, of hun zielen wel of niet versterkt zijn
    c.   Of zij in het geloof blijven of niet
    d.   Na vele beproevingen

  6. Paulus merkte op, dat de Galaten (Galaten 1:6-9):

    a.   Niet genegen waren om nieuwe waarheden van andere       leraren te accepteren
    b.   Wijzigingen, in het evangelie dat Christus leerde,       moesten aannemen
    c.   Gezegend zouden worden als zij een ander evangelie       zouden aannemen
    d.   Zich afkeerden van het ware evangelie

  7. De Apostel Paulus ontving het ware evangelie (Galaten 1:11-12) :

    a.   Van de andere Apostelen
    b.   Direct door de openbaring van Jezus Christus
    c.   Door bestudering van de Schrift
    d.   Geen van bovenstaande

  8. De "hoop" van het evangelie, die Paulus predikte, is: (2 Timoteüs 4:8)

    a.   Een geheimzinnige beloning, nu nog niet beschreven
    b.   Een lichaamloos leven in de hemel na de dood
    c.   Een kroon van rechtvaardigheid, die gegeven wordt bij       de terugkomst van Christus
    d.   Geen van bovenstaande

  9. Paulus beschrijft het evangelie, dat Christus hem gaf om te prediken, als: (Handelingen 20:24-25)

    a.   Het leven van Jezus
    b.   Het Koninkrijk van God
    c.   Goede werken
    d.   Geen van bovenstaande

  10. Toen gevraagd werd wat nodig was voor behoud (Matteüs 19:16-17), antwoordde Christus:

    a.   In tongen spreken
    b.   Het houden van de geboden
    c.   Hem "Heer" noemen
    d.   Geen van bovenstaande

  11. Jezus Christus kwam om (Matteüs 5:17):

    a.   De wet af te schaffen
    b.   De wet te veronachtzamen
    c.   De wet te vervullen
    d.   Geen van bovenstaande

  12. Welke van de onderstaande geboden verwierp Christus? (Marcus 7:7-13):

    a.   De geboden van mensen
    b.   De Tien Geboden
    c.   Het gebod om anderen lief te hebben als onszelf
    d.   Het gebod om God lief te hebben

  13. Wat deed Jezus Christus met betrekking tot Zijn viering van de Sabbat? (Lucas 4:16):

    a.   Laten zien, dat men God kon gehoorzamen, terwijl de       Sabbat gebroken werd
    b.   Gaf een voorbeeld door het als Zijn gewoonte te       houden
    c.   Verwachtte niet van Zijn discipelen om Zijn voorbeeld       te volgen
    d.   Geen van bovenstaande

  14. De Apostel Johannes schreef dat Christenen, die de geboden houden (Openbaring 22:14):

    a.   Vervloekt zijn
    b.   Hun tijd verspillen
    c.   Ongehoorzaam zijn aan God
    d.   Gezegend zijn

  15. De Apostel Petrus leerde, dat Christenen (1 Petrus 1:13-16):

    a.   In hun hele gedrag heilig moeten zijn, zoals God heilig is
    b.   Zich moeten realiseren, dat zij niet heilig kunnen zijn
    c.   Zich moeten realiseren, dat zij niet moeten proberen       heilig te zijn
    d.   Geen van bovenstaande

  16. De Apostel Johannes omschrijft zonde
    (1 Johannes 3:4) als:

    a.   Gebrek aan geloof
    b.   Gebrek aan liefde
    c.   Wetteloosheid
    d.   Geen van bovenstaande

  17. De Apostel Johannes omschrijft de liefde van God (1 Johannes 5:3) als:

    a.   Een warm gevoel ten opzichte van God en de mensheid
    b.   Het houden van Gods geboden
    c.   De naam van Jezus aanroepen
    d.   Geen van bovenstaande

  18. Een Christen moet (Romeinen 6:1-2):

    a.   Zich geen zorgen maken over het voortdurend       zondigen
    b.   Blij zijn over voortdurend zondigen, want genade zal       het bedekken
    c.    Beide a en b
    d.   Geen van bovenstaande

  19. Wie hebben gezondigd en derven de glorie van God? (Romeinen 3:23):

    a.   Allen
    b.   Joden
    c.   Heidenen
    d.   Niemand

  20. De Apostel Johannes beschrijft degenen, die Gods geboden houden en het geloof van Christus (Openbaring 14:12) als:

    a.   Misleid
    b.   Wettische personen
    c.   Farizeeën
    d.   Heiligen

  21. Het geloof waardoor een Christen behouden wordt (Efeziërs 2:8-9) is:

    a.   Iets waarover een Christen moet opscheppen
    b.   Het loon voor de menselijke inspanning om Gods wet       te houden
    c.   Een gift van Gods genade, niet van werken
    d.   Geen van bovenstaande

  22. Het geloof waartoe een Christen geroepen is (Marcus 1:14-15) is:

    a.   Geloof in het evangelie van het Koninkrijk van God
    b.   Geloof in de kracht van goede werken om ons te       behouden
    c.   Geloof in de tradities van de Kerk
    d.   Geen van bovenstaande

  23. Een rechtvaardiging van een Christen is mogelijk (Romeinen 5:8-9) wegens:

    a.   De dood van Jezus Christus
    b.   Onze gehoorzaamheid aan Gods wet
    c.   Onze goede werken
    d.   Geen van bovenstaande

  24. Jezus zei, dat degenen, die Zijn discipelen waren: (Johannes 8:30-32):

    a.   Hem "Heer" zouden noemen
    b.   In Zijn woord zouden blijven
    c.   Perfecte kennis zouden hebben
    d.   Geen van bovenstaande

  25. De "belangrijkste hoeksteen" van de Kerk (handelingen 4:10-11) is:

    a.   De Heilige Geest
    b.   De Bijbel
    c.   Jezus Christus
    d.   Geen van bovenstaande

  26. De Kerk, die Christus bouwde, zou (Johannes 17:14-16):

    a.   Gelijkvormig zijn aan de wereld
    b.   Door de wereld gehaat worden
    c.   Door de wereld geaccepteerd worden
    d.   Geen van bovenstaande

  27. Het levende Hoofd van de ware Kerk (Kolossenzen 1:18) is:

    a.   Jezus Christus
    b.   God de Vader
    c.   De Heilige Geest
    d.   Geen van bovenstaande

  28. Van de dienaren in de Kerk wordt verwacht, dat zij (2 Timoteüs 4:2):

    a.   Het woord prediken.
    b.   Overtuigen en vermanen
    c.   Berispen
    d.   Al het bovenstaande

  29. Twee tekenen van de ware Kerk (Openbaring 12:17) zijn:

    a.   Het houden van de geboden en de getuigenis van       Christus hebben
    b.   De getuigenis van Christus hebben en het mengen met       heidense verering
    c.   Goede werken doen en verkondigen, dat Jezus de       Heer is
    d.   Geen van bovenstaande

  30. In de eindtijd zal de ware Kerk (Matteüs 24:14):

    a.   Ervan overtuigd zijn, dat het niet langer nodig is om het       evangelie aan de wereld te prediken
    b.   Zich meer zorgen maken over haar eigen gemak dan       over het prediken van het evangelie
    c.   Het evangelie van het Koninkrijk prediken in de hele       wereld, als een getuigenis aan alle volken
    d.   Geen van bovenstaande

  31. God wil, dat de bekeerde (Lucas 3:8):

    a.   Vruchten (bewijs) van bekering laat zien
    b.   Trots is op zijn zondeloosheid
    c.   Beide a en b
    d.   Geen van bovenstaande

  32. De Schrift laat zien, dat goddelijke spijt (2 Korintiërs 7:9-10):

    a.   Berouw voortbrengt, wat tot behoud leidt
    b.   Nodig is voor iemand, die berouwvol is
    c.   Niet verschilt van wereldse spijt
    d.   Geen van bovenstaande

  33. Wat gebeurt er al een Christen zondigt? (1 Johannes 1:8-9):

    a.   God hoeft Christenen niet te vergeven, omdat zij nooit       zondigen
    b.   Er is geen belijdenis van zonden nodig, omdat Christus       het hart van een Christen kent
    c.   God zal Christenen vergeven, als zij hun zonden       belijden
    d.   Geen van bovenstaande

  34. Bekering (Handelingen 2:38):

    a.   Moet voorafgaan aan de doop
    b.   Maakt de doop onnodig
    c.   Is onmogelijk
    d.   Geen van bovenstaande

  35. De Schriftuurlijke verwijzing, dat de doop "veel water" nodig heeft (Johannes 3:23) geeft aan dat:

    a.   Het sprenkelen van water over het hoofd het bijbelse       voorbeeld vervult van de doop
    b.   De bijbelse doop wordt gedaan door volledige       onderdompeling
    c.   Het Griekse baptizo, wat "onderdompelen of plonzen       in" betekent, geeft niet de juiste vorm van dopen aan
    d.   Geen van bovenstaande

  36. De doop symboliseert (Romeinen 6:3-5):

    a.   Dood, Begrafenis en Opstanding
    b.   Alleen dood
    c.   Alleen opstanding
    d.   Geen van bovenstaande

  37. Na de doop is de handoplegging (Handelingen 8:14-17):

    a.   niet nodig voor iemand, die bij de doop werd       ondergedompeld
    b.   het symbool voor het ontvangen van de Heilige Geest
    c.   een keuze voor degenen, die in tongen willen spreken
    d.   Geen van bovenstaande

  38. Paulus zegt, dat Christenen na de doop (Romeinen 6:11-12):

    a.   Dood zijn voor de zonde; levend voor God in Christus       en niet moeten toegeven aan vleselijke lusten
    b.   Kunnen doen wat zij willen, omdat de Heilige Geest nu       in hen is
    c.   Beide a en b
    d.   Geen van bovenstaande

  39. Na de doop; Christenen (Romeinen 12:1-2):

    a.   Moeten hun lichamen stellen tot levende offerandes,       heilig en aangenaam voor God
    b.   Moeten niet gelijkvormig worden aan de wereld
    c.   Moeten veranderd worden door vernieuwing van het       verstand
    d.   Al het bovenstaande

  40. Een bekeerde Christen zal (Efeziërs) 4:22-24):

    a.   Zich vermengen met het gedrag van de wereld
    b.   Het vroegere gedrag opgeven en in ware       rechtvaardigheid en heiligheid leven
    c.   Zich realiseren, dat God zich niets aantrekt van het       gedrag van een Christen
    d.   Geen van bovenstaande

• • • • • • •

     Gefeliciteerd met het voltooien van deze toets! Denkt U er aan de antwoordkaart in te vullen, die in deze les bijgevoegd is. Als U verder wilt gaan met de lessen 13-16 van de Bijbelstudie cursus, wilt U dan vooral deze toets opsturen. Alleen degenen, die hun antwoorden insturen zullen lessen 13-16 ontvangen. Dank U voor Uw voortdurende belangstelling voor de Wereld van Morgen Bijbel Studie Cursus.

• • • • • • •



Leest U al ons Engelstalig tijdschrift Tomorrow's World, waar profetie tot leven komt ?

• • • • • • •