DE WERELD VAN MORGEN
Bijbel Studie Cursus
Toets: Lessen 5-8
Nu U de lessen 5-8 van de De Wereld van Morgen Bijbel Studie Cursus heeft voltooid, bent U klaar om te repeteren, wat U heeft geleerd. De onderstaande vragen zijn gemaakt om U een overzicht te geven van de stof, welke U eerder bestudeerd heeft; alle antwoorden kunnen in de bladzijden van de laatste vier lessen gevonden worden en zijn uit de Bijbel afkomstig.
Wilt U de antwoordkaart losmaken, die in deze les is meegegeven. Gebruik de kaart voor het beantwoorden van onderstaande 40 vragen. Kruis de cirkel aan van elk juist antwoord, frankeer de kaart en zendt het terug voor beoordeling. Na ontvangst van Uw antwoordkaart wordt U automatisch ingeschreven voor de lessen 9-12. Uw beoordeelde kaart zal binnen 4-6 weken na Uw inzending geretourneerd worden. Wilt U deze bladzijden van de toets niet verwijderen of ter beoordeling opsturen, houdt de toets voor Uw eigen overzicht en stuur alleen de bijgaande antwoordkaart terug.
• • • • • • •
Wie zijn de individuele leden van de Godheid? (Johannes 1:1-14)
a. God de Vader en niemand anders.
b. Jezus Christus en de Heilige Geest.
c. De Vader, Jezus Christus en de Heilige Geest.
d. God de Vader en het Woord, die later Jezus Christus werd.
Hoeveel Goden zijn er? (Deuteronomium 6:4)
a. Eén
b. Twee
c. Drie
d. Onbeperkt
Genesis 1:26 laat ons zien, dat de Godheid bestaat uit:
a. Meer dan één lid.
b. God de Vader en niemand anders.
c. Drie personen in één.
d. Geen van bovenstaande.
Volgens Genesis 2 verbood God Adam en Eva te nemen van:
a. De boom der kennis van goed en kwaad.
b. De boom des levens
c. De rivier Pishon
d. Enig kruid, dat zaad draagt
De Heilige Geest is:
a. De derde persoon van de drie-eenheid.
b. Een wezen, die in de Schrift beschreven wordt als een individueel lid van de Godheid.
c. Het vrouwelijk aspect van de Godheid.
d. Geen van bovenstaande.
In 1 Korintiërs 10:1-4 leren wij, dat de God van Israël was:
a. Jezus Christus.
b. God de Vader.
c. De Heilige Geest.
d. Geen van bovenstaande.
Volgens Kolossenzen 1:16-17 en Hebreeën 1:1-2 werd de schepping uitgevoerd door:
a. Jezus Christus.
b. God de Vader.
c. De Heilige Geest.
d. Natuurlijk evolutieproces, voor dit doel door God gebruikt.
Jezus Christus was:
a. Geschapen aan het begin der tijden.
b. Geschapen bij de schepping van het universum
c. Geschapen bij Zijn geboorte uit de maagd Maria
d. Geen van bovenstaande; Hij was het Woord, die bestand van eeuwigheid met God de Vader.
Van Genesis 14:18-20 en Hebreeën 7:1-25 kunnen wij begrijpen, dat Mechizedek:
a. Jezus Christus was.
b. God de Vader was.
c. Johannes de Doper was.
d. Een denkbeeldige figuur was
Volgens Hebreeën 11:6 is het onmogelijk om God te behagen zonder:
a. Rijkdom.
b. Familie.
c. Geloof.
d. Kennis.
Onsterfelijkheid is:
a. De natuurlijke toestand van de menselijke ziel.
b. Iets wat menselijke wezens moeten zoeken.
c. Een gave van God.
d. Beide: b en c.
Volgens Prediker 9:5 zijn de doden in het graf:
a. Bij bewustzijn, maar niet bij God.
b. Bij bewustzijn en bij God.
c. Geestelijke wezens, die wachten op hereniging van lichaam en ziel.
d. Weten niets.
Wat was van het onderstaande niet aanwezig in de Hof van Eden?
a. De boom des levens.
b. De boom der kennis van goed en kwaad.
c. Het nieuwe Jeruzalem.
d. Geen van bovenstaande.
De Heilige Geest is:
a. De kracht, waarmee God de Vader Jezus Christus verwekte.
b. Vergeleken met adem, wind en water.
c. De kracht, waarmee God schept.
d. Al het bovenstaande.
Wat waren de gevolgen van hun keuze, nadat Adam en Eva ervoor kozen om God niet te gehoorzamen?
a. Verbanning uit de hof van Eden.
b. Werden onderworpen aan de dood.
c. Angst, pijn en hard werken werden in hun leven geïntroduceerd.
d. Al het bovenstaande.
Volgens Genesis 4 was de naam van de eerste zoon van Adam en Eva:
a. Kaïn.
b. Seth.
c. Lilith.
d. Abel.
In Matteüs 24:37-39 vergeleek Christus de dagen van Noach met:
a. De tijd voorafgaand aan Zijn terugkomst
b. De schepping van de wereld.
c. De hof van Eden
d. Zijn tegenwoordige omstandigheden.
Aan welke achterkleinzoon van Noach wordt de stichting van het eerste koninkrijk na de vloed toegeschreven? (Genesis 10:6-12)
a. Nimrod.
b. Cush.
c. Kanaän.
d. Sidon
Volgens de Schrift is Babylon: (verg. Jeremia 50:35-38)
a. Geprezen als studieplaats
b. Aangeklaagd als bron van afgoderij en valse religie
c. Een voorafschaduwing van het Nieuwe Jeruzalem
d. Voorbestemd om voor altijd te bestaan.
In het Koninkrijk van God zal de kennis van Zijn wegen: (Habakuk 2:14)
a. De aarde vullen, zoals het water de zee.
b. Alleen aan de regeerders over de aarde gegeven worden.
c. Vervangen worden door de geperfectioneerde menselijke kennis.
d. Geen van bovenstaande.
Het populaire gebruik van vandaag van de “kerstboom” werd:
a. In Jeremia 10:3-4 veroordeeld als een heidens gebruik.
b. Door Jezus Christus erkent als een manier om Zijn geboorte te eren.
c. Door de Apostels geïntroduceerd om heidense bekeerlingen te bemoedigen.
d. Geen van bovenstaande.
In Deuteronomium 12:2-4 zegt God aan Israël, dat vreemde voorwerpen van verering moesten:
a. Opgenomen worden in de verering van God door Israël.
b. Vernietigd worden.
c. Gebruikt worden door vreemdelingen, die hun eigen wegen van verering wilden voortzetten.
d. Geen van bovenstaande.
De Apostel Paulus onderwees, dat heidense artikel en emblemen: (verg. Handelingen 19:23-27)
a. Geen deel mochten zijn van Christelijke verering.
b. Verenigbaar zijn met Christelijke verering.
c. Ingebracht moeten worden in Christelijke verering.
d. Geen van bovenstaande
Christus vergeleek het Koninkrijk van God met: (Matteüs 13:31-33)
a. Een mosterdzaad.
b. Gist in deeg.
c. Een donkere kamer.
d. Beide: a en b.
Volgens Matteüs 25:31-34 erven de discipelen van Christus het Koninkrijk van God:
a. Als zij Jezus Christus als hun Verlosser erkennen.
b. Als Jezus Christus in glorie terugkeert.
c. Na het oordeel van de Grote Witte Troon.
d. Geen van bovenstaande.
Als Jezus Christus terugkeert zal Hij aantreffen, (verg. Zacharia 14:3, 9, 11) dat:
a. Oorlogvoerende volken hun wapens zullen neerleggen.
b. Hij moet vechten tegen opstandige volken.
c. Allen onmiddellijk Zijn leiderschap zullen aannemen.
d. Hij verwelkomd zal worden door de naties van de wereld.
Wat zal de functie zijn in Gods Koninkrijk van de bekeerde menselijke wezens, die in de eerste opstanding zijn?
a. Zij zullen wachten op de hereniging van hun geest en het lichaam.
b. Zij zullen een tweede menselijke levensduur leven. Voordat zij weer sterven.
c. Zij zullen met Christus regeren.
d. Geen van bovenstaande.
Nadat de gift van genade gegeven is, zal God beloningen geven naar: (Openbaring 22:12)
a. Werken.
b. Geloof.
c. Zijn grillen.
d. Geen van bovenstaande.
Volgens Zacharia 14:4 zal Christus terugkeren:
a. Op de Olijfberg.
b. Op de herbouwde tempel.
c. Op de vlakte van Migeddo.
d. Geen van bovenstaande.
In het koninkrijk van God zullen de naties, die zich onderwerpen aan Zijn regering: (Micha 4:3-4)
a. Hun zwaarden slaan tot ploegscharen.
b. Afzien van oorlogvoering tegen andere naties.
c. Ophouden met oorlog.
d. Al het bovenstaande.
In Deuteronomium 12:29-32 zegt God aan Israël, dat de goden van andere naties en religieuze gebruiken:
a. Evenveel gewaardeerd moeten worden door hen als geldige wegen om God te dienen.
b. Vermengd kunnen worden met de verering door God gegeven.
c. Door Hem gegeven zijn voor het profijt van andere naties.
d. Mogen niet toegevoegd worden aan of wegnemen van de verering, welke door God geboden is.
Gedurende de tijd van Gods duizendjarig Koninkrijk zal de hoofdstad van de wereld zijn:
a. Jeruzalem.
b. De Hof van Eden.
c. Jericho.
d. Babylon.
Als het Koninkrijk van God is gevestigd zal Gods Geest ertoe aanzetten, dat de mensheid:
a. Naar Gods statuten leeft en Zijn uitspraken houdt.
b. Onwillekeurig leeft, zonder noodzaak van wetten.
c. Haar eigen wetten maakt zonder noodzaak van Gods tussenkomst.
d. Geen van bovenstaande.
Volgens Handelingen 3:21 zal Gods Koninkrijk een tijd zijn van:
a. Herstel.
b. Verkwikking.
c. Beide: a en b
d. Geen van bovenstaande.
Volgens Matteüs 19:14 bezitten degenen, die het koninkrijk van God zullen ingaan:
a. Eenvoudig, onschuldig geloof, als van een kind.
b. Wetenschappelijke kennis van Gods wegen.
c. Perfecte uitvoering van Zijn geboden.
d. Relikwieën van Christus en de Apostelen.
Volgens Openbaring 11:15 zal Jezus Christus bezit nemen van de koninkrijken en regeringen van deze aarde.
a. Als de zevende trompet blaast.
b. Als de plaag van de eerste trompet wordt los gelaten.
c. Als de Grote Witte Troon Oordeel is voltooid.
d. Geen van bovenstaande.
Christus leerde in parabels, omdat: (zie Matteüs 13; 10-13)
a. Hij wilde Zijn leerstellingen duidelijk maken voor iedereen.
b. Hij wist niet hoe Hij Zijn leerstellingen duidelijk moest maken.
c. Hij wist, dat Zijn discipelen duidelijke lering niet konden begrijpen.
d. Hij trachtte de profetie van Jesaja te vervullen, dat sommigen zouden horen, maar niet begrijpen.
Christenen, die in de eerste opstanding zullen zijn, hebben als hun verantwoordelijkheden o.a.: (Lucas 19:15-19; Openbaring 2:26)
a. Heersen over naties.
b. Heersen over steden.
c. Beide: a en b
d. Geen van bovenstaande.
In Gods Koninkrijk zullen Christenen, die Christus assisteren in Zijn missie van onderwijzen en regeren, (Jesaja 30:19-21)
a. Niet in staat zijn om in wisselwerking te staan met sterfelijke menselijke wezens.
b. Lichaamloze geesten zijn, die Jezus Christus onzichtbaar helpen.
c. Zichtbare leraren zijn, die rechtstreeks menselijke wezens onderwijzen.
d. Geen van bovenstaande.
Het resultaat van Gods regering op aarde zal zijn: (Jesaja 32:17-18)
a. Vrede.
b. Rechtvaardigheid.
c. Veiligheid.
d. Al het bovenstaande.
Gefeliciteerd met het voltooien van deze toets! Denkt U er aan de antwoordkaart af te maken, die in deze les bijgevoegd is. Als U verder wilt gaan met de lessen 9-12 van de Bijbelstudie cursus, wilt U dan vooral deze toets opsturen. Alleen degenen, die hun antwoorden insturen zullen lessen 9-12 ontvangen. Dank U voor Uw voortdurende belangstelling voor de Wereld van Morgen Bijbel Studie Cursus.
• • • • • • •
Leest U al ons Engelstalig tijdschrift Tomorrow's World, waar profetie tot leven komt ?
• • • • • • •
|