De Wereld van Morgen
BIJBEL
STUDIE
CURSUS
Tienden Betalen - Gods Financieel Plan voor U
• • • • • • •
Les 17
Inhoud
• • • • • • •
Hoofdredacteur..................Roderick C. Meredith
Redactie Chef.....................Richard F. Ames
Eindredacteur.....................William Bowmer
Hoofd Uitgeverij..................Lary F. Ehman
Vaste medewerkers.............John H. Ogwyn
...........................................Daniel Hall
Grafische vormgeving..........Donna Prejean
Distributie...........................Wayne Pyle
Regionale Kantoren
Nederlandse Uitgave:
Wereld van Morgen
Postbus 267
6000 AG, Weert
Tel: ++31 (0)495 56 2202
http://www.wereldvanmorgen.org
Verenigde Staten:
P.O. Box 3810,
Charlotte, NC. 28227-8010
Kantoor 704 844-1970
Fax: 704 841-2244
http://www.lcg.org
http://www.tomorrowsworld.org
• • • • • • •
Over onze voorpagina: Jezus Christus leerde Zijn volgelingen om Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid eerst te zoeken boven hun fysieke wensen en te vertrouwen, dat God zal voorzien in wat zij nodig hadden. (Matteüs 6:33-34) Tienden betalen is een belangrijk gebruik voor Christenen om het eerste "grote gebod" van hun Schepper trachten te gehoorzamen. (Matteüs 22:37-38)
Tienden Betalen - Gods Financieel Plan voor U
Financiële problemen zijn in overvloed aanwezig. Persoonlijke schulden hebben ongekende hoogten bereikt in onze westerse wereld. Zelfs met het toenemende aantal tweeverdieners schijnen mensen niet in staat te zijn "vooruit te komen". Er is vaak te veel van de maand over als het geld op is.
Wat een tegenstrijdigheid! Ondanks de grote overvloed aan natuurlijke en ontgonnen voorraden in rijke landen, worstelen zelfs degenen, die een relatief goed salaris mee naar huis nemen vaak om de eindjes aan elkaar te knopen. Financiële moeilijkheden leggen een zware belasting op vele huwelijken. Gezinnen worden beroofd van gemoedsrust en zelfs van gezondheid vanwege spanning om financiële zorgen.
Wat is het antwoord?
Voor veel mensen lijkt het gek als hen gezegd wordt, dat zij er uit kunnen komen door een deel van wat zij hebben weg te geven. Vele denken, dat zij meer nodig hebben - en dat wanneer zij een deel van hun inkomen aan Gods Werk geven, zij zelfs in nog groter financiële moeilijkheden komen. Maar is dit werkelijk waar? Is het verstandig om te beginnen met tienden te betalen als je al financiële moeilijkheden doormaakt? De werkelijkheid is, dat het niet zinnig is om iets anders te doen!
Een voorbeeld, dat in de Bijbel is opgetekend, licht dit punt effectief toe. De inwoners van Judea ondervonden in de zesde eeuw v. Chr. vele moeilijkheden. In het begin van die eeuw vernietigden de Babyloniërs Jeruzalem - de hoofdstad van Judea. Het merendeel van de bevolking van Judea werd naar het zuiden van Mesopotamië gedeporteerd, waar zij tientallen jaren een bestaan bijeengaarden in een vreemd land. Toen veroverden de Medo-Perzische legers van Cyrus de Grote, zelfs nog geen 50 jaar na de vernietiging van Jeruzalem, de Babylonische hoofdstad Babylon. Binnen een relatief korte tijd vaardigde Cyrus een besluit uit, waarbij Joden, die dat wilden naar Judea terug konden keren, waar zij toestemming kregen om hun heilige tempel te herbouwen.
Duizenden Joden keerden terug uit Babylon, geleid door hun pas benoemde gouverneur, Zerubbabel en de Hogepriester Jozua. In het begin waren zij enthousiast over de kans om hun tempel en hun land te herbouwen. Spoedig werden zij echter geconfronteerd met tegenstand van enige naburige volken en er werden valse beschuldigingen tegen hen gemaakt bij het Perzische gerechtshof. Het werk aan de tempel werd stopgezet en verschillende jaren gingen voorbij. Tijden waren hard, omdat de mensen zich inspanden om aan de kost te komen en hun verdeeld land en de economie op te bouwen. Vanwege de vele moeilijkheden, waar zij voor stonden, concludeerden zij, dat het niet Gods tijd was om de tempel te herbouwen.
Dit verschaft de samenhang met de aanmaning van de profeet Haggai aan het volk en haar leiders, zoals beschreven in Haggai 1:2-10: "Zo zegt de HERE der heerscharen: Dit volk zegt: de tijd is nog niet gekomen, de tijd, dat des HEREN huis herbouwd worde. En het woord des HEREN kwam door de dienst van de profeet Haggai aldus: Is het voor u de tijd om in uw weldoortimmerde huizen te wonen, terwijl dit huis verwoest ligt? Nu dan, zo zegt de HERE der heerscharen, bedenkt wat u wedervaren is. Gij hebt veel gezaaid, maar weinig binnengehaald; gij hebt gegeten, maar zonder dat gij verzadigd werdt; gij hebt gedronken, maar zonder dat gij voldaan werdt; gij hebt u gekleed, maar zonder dat gij warm werdt; en wie zich voor loon verhuurde, ontving zijn loon in een doorboorde buidel. Zo zegt de HERE der heerscharen: Bedenkt wat u wedervaren is. Beklimt het gebergte, haalt hout en herbouwt dit huis; dan zal Ik er welgevallen aan hebben en verheerlijkt worden, zegt de HERE. Gij hebt op veel gerekend, maar zie, het liep op weinig uit, en toen gij het binnengehaald hadt, blies Ik erin. Waarom dat? luidt het woord des HEREN der heerscharen. Om mijn huis, dat verwoest ligt, terwijl gij draaft, ieder voor zijn eigen huis. Daarom heeft de hemel over u de dauw ingehouden en de aarde haar opbrengst".
Het lijkt er op, dat de mensen zich voorgenomen hadden om Gods Werk te doen - zo gauw als zij het zich konden veroorloven het te doen! Het probleem was, dat zij achterstevoren dachten. God moet als eerste in onze levens komen. Als Hij dat is, wordt al het andere passend. Anders komt er geen einde aan de problemen. één van de duidelijkste principes van de hele Bijbel is, dat niemand ooit werkelijk vooruit komt, door God als laatste te plaatsen!
Het eerste en grootste gebod van alles is om God lief te hebben met geheel ons hart, ziel en verstand. (Matteüs 22:37) Iets anders komt neer op afgoderij! Als menselijke wezens als eerste prioriteit zichzelf trachten te beschermen en voorzieningen te treffen, openen zij de weg naar alle soorten problemen. Zonder Gods zegeningen zijn alle, door menselijke bedachte strategieën uiteindelijk bestemd te mislukken.
God weet, dat wij allemaal fysieke noden hebben. Christus onderwees ons, dat wanneer wij God en Zijn gerechtigheid eerst zoeken, al deze dingen toegevoegd zullen worden. (Matteüs 6:33) In deze les zullen wij zorgvuldig onderzoeken wat de Bijbel leert over het betalen van tienden en wij zullen Gods financiële plan voor elk van ons zien.
LES 17, DEEL 1
Hoe Belangrijk is het Tegenwoordig om Tienden te Betalen?
Is het voor Christenen belangrijk om tienden te betalen of is het slechts een deel van de Mozaïsche Wet? Wat is de oorsprong van het tienden betalen en welke rol speelde het voorafgaande aan het Sinai verbond met Israël? Zowel het Oude als het Nieuwe Testament hebben veel te zeggen over het betalen van tienden. Wij moeten deze leerstellingen nog beter begrijpen en begrijpen waarom tienden betalen zo'n belangrijke principe is.
Tienden betalen wordt in Genesis, het boek over het Begin, voor het eerst genoemd. Wat deed Abraham toen hij terugkeerde van de overwinning van de koningen met alle buit, die hij had meegenomen? Genesis 14:16-20.
Aan wie betaalde Abraham zijn tiende en wat was het ambt van de ontvanger? Genesis 14:18. (zie les 5 voor het bewijs van de ware identiteit van Melchisedek)
Welke naam van God wordt gebruikt, als beschreven wordt, dat Abraham zijn tiende aan Gods Priester betaalt? Genesis 14:19. (Opm.: Abraham bracht zijn tiende in de context, dat hij God erkent als eigenaar van alles)
Erkende Abrahams kleinzoon, Jakob, dat tiende betalen iets was, dat degenen, die God dienden verondersteld werden te doen? Genesis 28:20-22. (Opm.: het is belangrijk om in te zien, dat de Bijbel het betalen van tienden niet als een nieuw gebod introduceert, maar als een reeds voortgaande praktijk)
Maakte tiende betalen deel uit van zijn religieuze hervormingen, die koning Hizkia uitvaardigde om de natie naar God terug te brengen? 2 Kronieken 31:5-7. (Opm.: de mensen brachten toegewijd vier maanden voortdurend hun tienden naar de tempel - van de derde tot de zevende maand)
Welk doel werd gediend door het trouw betalen van tienden door de mensen? 2 Kronieken 31:4. (Opm.: de priesters waren Gods dienaren en moesten Gods wegen aan de mensen onderwijzen. God voorzag in het onderhoud van Zijn dienaren door de tiende)
Hoe typeert God degenen, die hun tienden van Hem achterhouden? Maleachi 3:8.
Overtreden degenen, die weigeren om tienden te betalen, één van de Tien Geboden? Exodus 20:15.
Wat is het gevolg voor mensen - of zelfs voor een heel volk - die weigeren om God Zijn tiende te betalen? Maleachi 3:9.
Wat belooft God aan degenen, die trouw zijn in het betalen van hun tiende? Maleachi 3:10-11.
Waren de Farizeeën uit de dagen van Christus uitermate zorgvuldig in het betalen van tienden? Matteüs 23:23. Zij waren echter zeer nalatig in de fundamentele geestelijke eigenschappen, zoals oordeel, genade en geloof. Wat zei Christus over hun tiende betaling? Laatste deel van vers 23. Was dit een plicht, waarin zij trouw in moesten blijven? (Opm.: de Farizeeën misten de ware vereisten van God in geestelijke zaken. Zij waren muggenzifters, maar zwolgen figuurlijk grote kamelen. (vers 24), (die beide onrein zijn)
De Dynamische Wet van Geven
Boeken en tijdschriften, die zich met theorieën over geldbeheer bezighouden, zijn de afgelopen jaren sterk in aantal toegenomen. Veel stimuleren het sparen en investeringen, terwijl andere bespreken hoe U Uw winstvermogen kunt vermeerderen of de euro's, die U reeds heeft, kunt verruimen. Ofschoon veel van deze bronnen enige nuttige financiële principes kunnen bevatten, behandelen weinige of geen, het meest waardevolle principe van alles. Wat is dat principe? Heel eenvoudig gesteld, het is de goddelijke weg van geven! "Het is zaliger te geven dan te ontvangen". (Handelingen 20:35)
Voor de meeste mensen lijkt dit zeer tegenstrijdig aan hoe succesvol te zijn. Vele redeneren: "Ik heb al te kort". "Als ik nu ook nog een deel van wat ik heb moet weggeven, heb ik zelfs minder en ben ik zelfs in grotere financiële moeilijkheden". Deze redenering mag vanuit puur menselijk standpunt logisch lijken, maar het is volkomen verkeerd! De Schepper God heeft wetten in beweging gebracht, die het hele universum besturen en één van die wetten heeft te maken met geven. De weg van zelfzuchtigheid zal nooit naar geluk, vervulling of ware voorspoed leiden.
Een sleutel om Gods weg van geven te begrijpen is het betalen van tienden te begrijpen. "Tienden" is een oud woord, dat "een tiende" betekent. Tienden betalen betekent eenvoudig vertienen of 10 procent van Uw inkomen aan God geven. Wij hebben verslagen, waarin staat dat vanaf de vroegste tijden Gods volk wist, dat dit de juiste manier was om hun Schepper te eren. (Genesis 14:19-20; 28:20-22) Lang voor de Berg Sinai en de instelling van het Levitische priesterschap wisten Gods trouwe dienaren, dat de tiende aan God toebehoorde.
Hoe werkt deze opmerkelijke wet? Eenvoudig gezegd, het betalen van tienden zet goddelijke tussenkomst in beweging in de financiële en geestelijke zaken van een persoon. Als wij beginnen met het betalen van tienden, gaan wij een partnerschap aan met God. Let op Gods belofte aan de tiendenbetaler. "Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de HEERE der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen". (Maleachi 3:10 SV) Deze verklaring in Maleachi is een levende wet, die resulteert in overvloedige zegeningen - zowel fysiek EN geestelijk - als ze gehoorzaamd wordt.
Sommige van deze zegeningen kunnen een loonsverhoging inhouden of een onverwachte gelegenheid. Gods belofte van het openen van "de vensters van de hemel" houdt ook geestelijke zegeningen in - zoals goddelijke bescherming, toenemend geloof, vrede en een diepere relatie met God. De verbazingwekkende realiteit is, dat de gever God niet uitgeput kan maken in het geven. Zowel fysieke en geestelijke zegeningen zullen onze verwachtingen altijd te boven gaan! Gods belofte is zo zeker, dat Hij de hele mensheid uitdaagt om Hem aan deze test te onderwerpen. (vers 10)
Het is interessant, dat de profeet Maleachi deze uitdaging uitspreekt tegen de mensen op een moment, dat zij in uiterst financiële moeilijkheden waren.
In feite stonden zij onder een ware financiële vloek. (Maleachi 3:9) Maleachi zei hun niet om tienden te gaan betalen als zij "er weer bovenop waren" en het zich konden veroorloven. Integendeel, hij maakte duidelijk, dat hun situatie nooit zou verbeteren, tenzij zij zich bekeerden van hun zelfzuchtige benadering van het leven en God op de eerst plaats zouden zetten.
Een ander belangrijk punt over Gods weg van geven is, dat het uitgaande bezorgdheid voor andere mensen vereist. Let U op het onderricht van de Apostel Paulus aan de Kerk in Korinte, in 2 Korintiërs 9. De Broeders in Korinte waren een speciale gift aan het voorbereiden voor de Broeders in Jeruzalem, vanwege de droogte en hongersnood, die Judea verwoestte. Paulus moedigde hen aan om vrijgevig te zijn door hen te waarschuwen: "Bedenkt dit: wie karig zaait, zal ook karig oogsten, en wie mildelijk zaait, zal ook mildelijk oogsten". (2 Korintiërs 9:6) Hij vervolgde met hen er aan te herinneren, dat de houding, waarmee zij gaven ook van vitaal belang was, omdat "God de blijmoedige gever lief heeft". (vers 7) Het in praktijk brengen van de weg van geven en uitgaande bezorgdheid voor anderen, resulteert in overvloedige zegeningen.
De meest kostbare zegening, die een menselijk wezen kan ontvangen is een kind van God te worden - te worden geroepen tot behoud en om Gods Heilige Geest te ontvangen. Cornelius, de Romeinse hoofdman, ontving zo'n zegening, wellicht deels vanwege zijn getrouwheid in het geven. In een visioen zei een engel van God aan hem: "Uw gebed is verhoord en aan uw aalmoezen is voor God gedacht geworden". (Handelingen 10:4, 31) Hij kreeg toen de opdracht om Petrus te laten komen om hem te dopen. Ofschoon Cornelius van heidense oorsprong was, was hij getrouw in het zoeken naar de God van Israël. Hij besteedde niet alleen tijd aan gebed tot de ware God, maar ook aan het in praktijk brengen van Gods weg van liefde aan anderen. Hij gaf gul liefdadigheidsgiften. (vers 2) God schonk aandacht aan de houding van Cornelius, zoals bewezen door zijn werken en gebruikte hem en zijn familie om te laten zien, dat behoud opengesteld was voor de Heidenen.
Gods weg is de weg van geven. Hij bevestigt, dat "De zegenende ziel wordt overvloedig verkwikt, wie laaft, wordt ook zelf gelaafd". (Spreuken 11:24-25) Het is geen wonder, dat Jezus zei, dat "het zaliger is te geven dan te ontvangen". (Handelingen 20:35) Gehoorzaamheid aan Gods weg brengt grote vreugde en vele zowel fysieke als geestelijke zegeningen. Plaats God voor de test "Smaakt en ziet, dat de Here goed is"! (Psalm 34:8)
LES 17, DEEL 2
Hoe Betaalde het Oude Israël Tienden?
De meest gedetailleerde instructies over het betalen van tienden werden bij de Berg Sinai aan het Oude Israël gegeven. Alhoewel het betalen van tienden eeuwen vóór het Sinai Verbond door Gods dienaren in praktijk werd gebracht, waren deze instructies heel belangrijk. De oude Israëlieten hadden zoals de meeste oude volken een agrarische economie. Als wij de specifieke instructies begrijpen, die aan Israël werden gegeven, kunnen wij deze principes op onze hedendaagse omstandigheden toepassen.
Aan wie behoren alle tienden van het land volgens God, toen Hij het oude Israël instructies gaf over het betalen van tienden? Leviticus 27:30. Is God de uiteindelijke eigenaar van alles? Jesaja 66:1; Psalm 50:10-11.
Aan wie moesten de Israëlieten volgens Gods opdracht de tiende betalen, die Hem toebehoorde? Numeri 18:21. Betaalde God in feite de Levieten voor hun diensten namens het volk aan Hem? Numeri 18:21-23
Erfden de Levieten een land kavel in het land Israël zoals de andere stammen? Wat was hun erfdeel? Numeri 18:20, 24.
Moesten de Levieten, die de meeste tienden rechtstreeks van het volk ontvingen, ook tiende betalen? Numeri 18:26, 28.
Waarover moesten de Israëlieten tienden betalen? Deuteronomium 14:22. (Opm.: het oude Israël was een agrarische natie en daarom werden de instructies in agrarische termen gegeven. Van deze instructies kunnen wij enige belangrijke principes afleiden. Wij betalen tienden over onze vermeerdering. Vermeerdering is het resultaat van onze productieve prestaties en kan zowel loon als inkomen uit investeringen en beleggingen inhouden. Voor een zakenman of een agrariër is iemands vermeerdering zijn opbrengst - de totale inkomsten minus de uitgaven, die nodig waren om die inkomsten te produceren. Wij berekenen onze tienden jaarlijks, zoals wij het met onze belastingen doen)
Hoe betaalde het oude Israël tiende over de vermeerdering van schapen en rundvee? Leviticus 27:32. (Opm.: de praktijk in vroegere tijden was om alle jonge dieren, die in het laatste jaar werden geboren, te nemen en op te sluiten; daarna joegen zij hen door een opening, die klein genoeg was, zodat telkens slechts één kon passeren. Een man met een stok, gedompeld in rode verf, stond aan de poort en tikte elk tiende dier aan, die de opening passeerde)
Moesten de mensen van het oude Israël behalve de tiende betalen aan de Levieten, een tweede tiende sparen om "voor de Heer" te eten? Mocht deze tiende alleen gebruikt worden op de plaats, die God had gekozen en Zijn naam plaatste? Deuteronomium 14:23. (Opm.: deze tiende stelde hen in staat om de geboden jaarlijkse feesten te vieren, die God had ingesteld)
Werd het de Israëlieten toegestaan om de goederen voor geld te verkopen als de reis naar Gods heilige plaats te lang was om producten en vee te vervoeren? Konden zij dit gebruiken om artikelen te kopen, die zij nodig hadden om de feesten te vieren? Deuteronomium 14:24-26. Was dit bedoeld om hen te leren God dieper te respecteren en om zich met de hele familie te verheugen voor hun Schepper? Deuteronomium 14:23, 26.
Noemt de Bijbel nog een tiende - een derde tiende - die de Israëlieten plaatselijk hielden om wezen, weduwen en anderen in nood te ondersteunen? Deuteronomium 14:28-29.
Moest deze tiende ieder jaar of alleen elk derde jaar opzij gezet worden? Deuteronomium 14:28. (Opm.: Leviticus 25:3-5 laat zien, dat het toegestaan was om het land elk zevende jaar braak te laten liggen; de derde tiende werd in het derde en zesde jaar van elke zevenjarige cyclus opzij gezet) "
Het Betalen van Tienden in het Oude Israël Leerde: het Stellen van Prioriteiten
In het boek Genesis wordt het betalen van tienden geïntroduceerd als een voortdurend gebruik door Gods trouwe dienaren. Alleen wanneer wij bij de Wet komen, die via Mozes gegeven werd, vinden wij specifieke voorschriften over tienden betalen. Het oude Israël was hoofdzakelijk een agrarisch volk en Gods voorschriften voor Israël weerspiegelen dit. Als wij Gods voorschriften begrijpen kunnen wij de principes, die het betalen van tienden bepalen, vaststellen. Daardoor kunnen wij die principes in de hedendaagse wereld toepassen.
Zelfs vele zogenaamde bijbelwetenschappers begrijpen niet, dat God het oude Israël over drie afzonderlijke tienden van hun inkomen onderwees. Deze tienden bepalen de prioriteiten, die de Israëlieten in hun leven moesten hebben. Het verslag van de geschiedenis laat zien, dat dit door de Joden in de dagen van Jezus Christus duidelijk werd begrepen. Merk op wat Flavius Josephus, een Joods priester uit de eerste eeuw in zijn boek schreef, waarin hij de geschiedenis en gebruiken van de Joden uitlegt aan de Grieks-Romeinse wereld:
"Naast die twee tienden, waarvan ik reeds zei, dat U die ieder jaar moet betalen - één voor de Levieten, de andere voor de feesten - moet U ieder derde jaar een derde tiende inbrengen om te worden uitgedeeld aan degenen, die behoeftig zijn; ook aan vrouwen, die weduwen zijn en aan kinderen, die wees zijn.... Maar als iedereen dit gedaan heeft en de tiende van alles wat hij had heeft ingebracht, tezamen met de eerstelingen, die voor de Levieten zijn en voor de feesten en wanneer hij naar huis wilt gaan, laat hem voor de tempel staan en God dankzeggen ......" (Antiquities of the Jews, [Antiquiteiten van de Joden], Bk. IV, hoofdstuk VIII, par. 22)
De eerste tiende was wat God reserveerde voor Zichzelf en werd gebruikt om het Levitische priesterschap te onderhouden. Hij wilde echter ook, dat Zijn volk drie seizoenen per jaar op Zijn jaarlijkse feesten voor Hem verschenen. Hoe konden de Israëlieten zich dit veroorloven? God gaf hun de opdracht om een tweede tiende opzij te zetten, die door hen en hun gezinnen voor Gods aangezicht gebruikt moest worden op Zijn jaarlijkse feesten. Zij moesten delen met de Levieten en de behoeftige, maar dit deel werd opzij gezet om het hele gezin in staat te stellen zich voor God te verheugen op deze speciale tijden. De derde tiende werd niet ieder jaar apart gezet, maar alleen in het derde en zesde jaar van een zevenjarige cyclus. (Denkt U er aan, dat elk zevende jaar het hele land in het oude Israël braak lag en dat er geen oogst was dat jaar) Deze derde tiende werd voornamelijk voor de ondersteuning van de behoeftige. (Weduwen, wezen en vreemden) in de plaatselijke gebieden.
Wat kunnen wij hiervan leren? Het is duidelijk, dat de eerste tiende - de eerstelingen van onze toename - door God apart werd gezet voor Hemzelf en ten gunste was van Zijn rechtstreekse vertegenwoordigers. Ten tweede wilde God, dat het volk als families Hem vereren en zich voor Hem verheugen op de jaarlijkse feesten. Hij onderwees hen om daarvoor financiële voorbereidingen te maken. Ten slotte wilde God ook, dat het volk een deel van hun toename deelde met degenen, die behoeftig zijn. Dit weerspiegelt verering jegens God en dienstbaarheid jegens anderen, een goed en evenwichtige reeks prioriteiten voor alle tijden.
Tienden Betalen in een Agrarische Maatschappij
De economie van het oude Israël was voornamelijk een niet op geld gebaseerde economie. De overgrote meerderheid van de mensen hielden zich bezig met landbouw. Gods specifieke opdrachten voor het betalen van tienden weerspiegelde de situatie van de Israëlieten. De tiende van de oogst en van de dieren was eenvoudig berekend. Want de oogst, een tiende van de opbrengst - de hoeveelheid oogst minus het gezaaide zaad om de oogst te produceren - werd aan de Levieten betaald. (Numeri 18:21; Deuteronomium 14:22) De jonge dieren van de schapen en het rundvee in elk bepaald jaar werden door een veekraal gedreven en elk tiende dier werd aangetikt met een vlek van rode verf. Deze tiende "onder de stok" werden als tiende aan de Levieten gegeven. (Leviticus 27:32) De Levieten betaalden ook tienden; van de tiende van de oogst en van de dieren, die aan hen betaald werden, betaalden zij op hun beurt een tiende aan de priesters in Jeruzalem. (Numeri 18:26-28)
De tweede tiende heeft eveneens betrekking op een tiende van de opbrengst van de akkers, wijngaarden en vruchten. De dieren werden echter iets anders behandeld - de eerstelingen van schapen en rundvee werden apart gezet. (Deuteronomium 14:23) een eersteling was het eerstgeboren jong van ieder moederdier. Deze eerstelingen werden aan God gewijd; het is duidelijk, dat de mannelijke eerstelingen naar de priesters gingen voor gebruik op de feesten, terwijl individuele families de vrouwelijke eerstelingen consumeerden tijdens de drie jaarlijkse feesten in Jeruzalem.
Naast het betalen van tienden aan de Levieten werd tussen het Pinksterfeest en het Loofhuttenfeest een offerande gebracht van het eerste gerijpte deel van elke oogst - graan, vijgen, olijven, druiven en dergelijke - aan de priesters in Jeruzalem. Dit eerste gerijpte deel van elke oogst, gewoonlijk een kleine hoeveelheid zoals een handvol of kleine mand vol, werd als een dankoffer boven op de tienden gegeven. (Numeri 18:12-13)
LES 17, DEEL 3
Aan Wie Moet Tienden Betaald Worden?
In het oude Israël ontving het Levitische priesterschap de tienden van het volk. Hoe moeten de tienden tegenwoordig toegepast worden? De tempel in Jeruzalem werd vele eeuwen geleden vernietigd en aan het functioneren van het Levitische priesterschap kwam lang geleden een einde. Hoe is Gods wet van tienden betalen van toepassing op hedendaagse Christenen - en wie heeft het recht de tienden te ontvangen?
Benadrukte de Apostel Paulus, dat Abraham - de "vader van de gelovigen" - tienden betaalde aan Melchisedek, de priester van de Allerhoogste God? Hebreeën 7:1-2.
Werd Melchisedek vergeleken met de Zoon van God? Wordt ons gezegd, dat Hij eeuwig is; dat Zijn priesterschap voortduurt en dat Hij zelfs nu leeft? Hebreeën 7:3, 8.
Benadrukt Paulus, dat het recht van Melchisedek op de tiende vervangen werd door dat van het Levitische priesterschap? Hebreeën 7:4-7.
Is dit omdat Melchisedek de tienden ontving vóór het bestaan van de Levieten en omdat Hij zelfs veel belangrijker was dan Abraham, laat staan dan de Levieten, die van Abraham afstamden? Hebreeën 7:8-10.
Betaalde Levi, voorouder van het Levitische priesterschap, overdrachtelijk tienden aan Melchisedek, via Abraham? Hebreeën 7:9-10.
Legt Paulus aan zijn lezers uit, dat het Levitische priesterschap niet bedoeld was om geestelijke voltooiing te bewerkstelligen en daarom opgevolgd moest worden door een ander priesterschap voor het Christelijke tijdperk? Hebreeën 7:11, 15-16.
Is Jezus Christus tegenwoordig onze Hogepriester? Hebreeën 2:17; 4:14; 6:20. (Opm.: Christus werd onze Hogepriester door Zichzelf als een zoenoffer aan God te offeren en toen het hemelse heiligdom binnenging, waar Hij voortdurend namens ons bemiddelt)
Wordt het hogere gezag van Zijn priesterschap over dat van de Levitische afstammelingen van Aäron uitgelegd? Hebreeën 7:22-27
Vereiste de verandering in het priesterschap, dat er een verandering in de wet werd gemaakt? Hebreeën 7:12. (Opm.: de wet, waar hier naar verwezen wordt is de wet van het priesterschap. Priesters werden van anderen onderscheiden door hun genealogie. Ook door hun recht om aan het altaar dienst te doen en door hun recht om Gods tienden te ontvangen van het volk. Paulus legt in dit gedeelte van Hebreeën uit, dat het priesterschap van Christus veel groter is en vóór elk ander gaat)
Wie zijn de bevoegde vertegenwoordigers van onze Hogepriester Jezus Christus in de hedendaagse wereld? Onderwees Paulus, dat de ware dienaren van Christus de "rentmeesters" van God waren? Titus 1:7; 1 Korintiërs 4:1. (Opm.: een rentmeester is een manager, die verantwoordelijkheid verschuldigd is aan zijn meester voor het toezicht en beheer van het eigendom van zijn meester. De dienaren van Jezus Christus zijn dus verantwoordelijkheid verschuldigd aan God voor het gebruik van Zijn tiende)
Onderwees Paulus, dat het passend was voor Christus' dienaren om voltijds in dienst te zijn en hun levensonderhoud te ontvangen uit het werk van het prediken van het evangelie? 1 Korintiërs 9:11, 14.
Vergeleek hij dit met het Levitische priesterschap, die hun levensonderhoud ontvingen van de tienden in de tempel? 1 Korintiërs 9:13.
Betalen van Tienden en de Nieuwtestamentische Kerk
De Joods gemeenschap uit de eerste eeuw begreep de wetten van tienden betalen. De Farizeeën waren bekend om hun grote zorgvuldigheid inzake het betalen van tienden. (Matteüs 23:23; Lucas 18:12) Aan wie betaalden deze Joden de tienden? Zij betaalden deze natuurlijk aan het Levitische priesterschap - precies zoals hun werd opgedragen in de Wet.
Hoe moest de nieuwtestamentische Kerk de wetten van tiende betaling toepassen? Dit onderwerp behoeft een duidelijke schriftuurlijke uitleg voor degenen, die in de overgangstijd leefden tussen het bestuur van het Levitische priesterschap en het bestuur van het nieuwtestamentische dienaarschap. De vroege Joods Christenen bleven deelnemen aan de tempel ceremonies. Binnen de levensduur van die eerste generatie Christenen echter werd de tempel en alles wat erbij hoorde verwoest.
Paulus schreef het boek Hebreeën om deze en aanverwante onderwerpen te behandelen. Schrijvend aan degenen, die bekend waren met de Wet legde hij uit, dat het bestuur van de Levieten tijdelijk was. Het beschreef noch het begin, noch het einde van Gods handelen met de mensheid. Door dit hele boek heen legde Paulus de nadruk op de superioriteit van het voortgaande dienaarschap en priesterschap van Jezus Christus over alle andere.
In Hebreeën 7 gebruikte Paulus het betalen van tienden als een illustratie om zijn onderwerp te bewijzen. Nadat hij in Hebreeën 6:20 had uitgelegd, dat Jezus voor eeuwig een hogepriester was naar de orde van Melchisedek, ging hij in hoofdstuk 7 verder om de superioriteit van Melchisedek over Levi te laten zien. De Levieten hadden een gebod in de Wet om de tienden van het volk te ontvangen (Hebreeën 7:5), maar zij waren niet de eersten, die tienden ontvingen. Door het verhaal van Abraham en Melchisedek uitvoerig te behandelen liet Paulus zien, dat er een priesterschap bestond, dat verheven was boven dat van Levi. Paulus stelde, dat Levi in zekere zin tiende betaalde via Abraham (Hebreeën 7:9) en liet zien, dat het priesterschap van Melchisedek verheven was boven dat van Levi, hetgeen later kwam. Door vast te stellen, dat Abraham, de vader van de gelovigen, niet alleen tienden aan Melchisedek betaalde, maar ook door Hem werd gezegend, maakte Paulus duidelijk, dat Melchisedek niemand anders kon zijn dan Jezus Christus, voordat Hij geïncarneerde was.
Nadat hij de verhevenheid van het Melchisedek priesterschap van Jezus Christus boven dat van de Levieten had laten zien, besprak Paulus de veranderingen in de wet, die dit vereisten. Het priesterschap werd op verschillende manieren van het volk gescheiden: door hun genealogie; door het feit, dat alleen zij aan het altaar dienst konden doen bij de offerplechtigheden en namens het volk bij God bemiddelen; en door het feit, dat zij alleen gemachtigd waren om de tienden van het volk te ontvangen. Hebreeën 7 behandelt deze onderwerpen met betrekking tot Jezus Christus. Zijn genealogische aanspraak berust niet op het feit een Leviet te zijn, want menselijkerwijze kwam Hij voort uit Juda. (v. 14) In plaats daarvan ligt Zijn recht op het priesterschap in het feit, dat Hij eeuwig is - zonder vader of moeder, zonder begin van dagen of einde des levens - Hij blijft voor altijd priester. (v. 3) Christus schenkt behoud aan degenen, die tot Hem komen, omdat Hij eerst Zichzelf als een zoenoffer geofferd heeft en nu voor altijd leeft om voor degenen te pleiten, die tot Hem komen. (v. 24-28) Christus ontving tienden in de persoon van Melchisedek, voordat Levi ooit bestond en heeft een superieure aanspraak.
Paulus maakt in het boek Hebreeën duidelijk, dat de rol van het priesterschap voortduurt in het nieuwtestamentische tijdperk, maar dat Christenen naar het Melchisedek priesterschap van Jezus Christus moeten kijken. Of het om offerplechtigheden gaat of om het ontvangen van tienden, uit de verandering van het priesterschap volgde noodzakelijk een verandering in voorzieningen van de Wet om toe te passen op Christus in plaats van op Levi. (v.12) Om het voorbeeld van de getrouwe Abraham te volgen moeten Christenen tienden aan Jezus Christus betalen in Zijn rol als Melchisedek.
Hoe zou dit in praktijk moeten worden gebracht? Andere nieuwtestamentische verzen maken duidelijk, dat de ware Kerk van God zowel het geestelijk lichaam van Christus als een geestelijke tempel is. (1 Petrus 2:5; 1 Korintiërs 3:16-17; 1 Korintiërs 6:19) Ware Christenen moeten zich nog steeds richten naar de tempel en daar hun giften naar toe brengen, maar zich nu richten naar de geestelijke tempel, waar Christus functioneert als Levend Hoofd en Hogepriester. Paulus legde dit geestelijke principe uit in 1 Korintiërs 9:13-14 en bracht naar voren, dat het Levitische priesterschap onder het bestuur van het Oude Verbond hun levensonderhoud ontvingen van de heilige dingen (tienden en offeranden), die naar de tempel werden gebracht. Hij legde verder uit, dat degenen, die het evangelie predikten hun levensonderhoud op dezelfde manier moesten ontvangen.
Uit Leviticus 27:30, 32 leren wij, dat de tiende heilig is voor God. De patriarchen wisten deze waarheid reeds lang voordat het Sinai Verbond en het Levitische priesterschap waren ingesteld. (Verg. Genesis 14:20; 28:22) Onder de administratie van het Oude Verbond wees God de tienden toe aan de Levieten als hun loon, omdat zij voor Hem werkten door in de tabernakel te dienen. (Numeri 18:20-21) Onder de nieuwtestamentische administratie zijn de ware dienaren van Christus druk bezig om het evangelie aan de wereld te verkondigen. De dienaren van Christus doen nu Gods werk, in plaats van de Levitische priesters van vroeger en moeten tegenwoordig Gods tienden ontvangen. Zoals Jezus Christus Zelf uitlegde, "de arbeider is zijn loon waard". (Lucas 10:7)
LES 17, DEEL 4
Leren om een Gever te Zijn
één van de meest fundamentele aspecten van Gods natuur is, dat hij de weg van liefde en van geven in praktijk brengt. God is de grootste Gever in het universum. Geven als wijze van benadering van het leven zal resulteren in vele zegeningen. Hoe zelfzuchtiger en meer egocentrisch men is, hoe meer men de zegeningen en voordelen misloopt, waarvan God wenst, dat wij genieten. Wij moeten meer volledig de belangrijke rol begrijpen, die tienden en offeranden spelen in het ontwikkelen van de houding van geven.
Wat leert de schrijver van Spreuken als de meest belangrijke sleutel tot materieel succes in het onderwijzen van mensen over een wijze benadering van het leven? Spreuken 3:9-10.
Wat onderwees Christus over geven? Zal een persoon, die geeft, uiteindelijk in overeenstemming met zijn manier van geven ontvangen? Lucas 6:38.
Onderwees de Apostel Paulus dit ook? 2 Korintiërs 9:6.
Is God op de eerste plaats bezorgd over de grootte van de offergaven, die wij geven of is Hij veel meer bezorgd over iets anders? 2 Korintiërs 8:12; 9:7.
Prees Paulus de kerken in Macedonië, omdat zij niet alleen van hun materiele bezittingen gaven, maar ook zichzelf gaven? 2 Korintiërs 8:3, 5. Hadden zij een diep verlangen om deel te hebben in het dienaarschap van Paulus aan anderen? Vers 4.
Onderwees Mozes aan de kinderen van Israël, dat hun houding belangrijk was als zij een offer gaven aan God? Exodus 35:4-5.
Hoe toonde het volk deze houding en wat was het resultaat? Exodus 36:5-7.
Gaf Koning David een voorbeeld aan het volk van het oude Israël in het geven aan God? 1 Kronieken 29:1-5. Hoe reageerden de leiders van het land op Davids voorbeeld? 1 Kronieken 29:6-8. Hoe reageerde het gewone volk? 1 Kronieken 29:9.
Wat droeg Koning David het volk op over het geven aan God? Geven wij aan God, omdat Hij iets nodig heeft? Is God op enige wijze afhankelijk van ons en onze giften? 1 Kronieken 29:11-17.
Wat zei Christus aan Zijn discipelen over geven, toen Hij hen uitzond om te prediken? Matteüs 10:7-8. (Opm.: daarom geeft dit Werk haar literatuur uit zonder kosten of verplichting. Christus vroeg nooit iets voor Zijn diensten of voor de boodschap, die Hij predikte en dat doen wij ook niet)
Onderwees Christus Zijn discipelen, dat het voor hen gepast was om gastvrijheid en offergaven te ontvangen van degenen, die zij dienden, als het vrijwillig aangeboden werd? Lucas 10:2-8. Werkten Zijn discipelen, net als tegenwoordig de dienaren van Christus, als werkers voor God en zijn daarom gepaste lonen waard? Vers 7.
Worden Christenen aangemoedigd om te werken en productief te zijn, zodat zij kunnen geven? Efeze 4:28. (Opm.: de Bijbel beschrijft het geven aan God vaak als een daad van verering. Evenzo is het geven om de behoeftigen te helpen een uiting van het liefhebben van onze naaste zoals wij onszelf liefhebben)
Een Vurig Verlangen naar Ware Rijkdommen
Tegenwoordig lijkt materialisme in vele delen van de wereld een manier van leven. Wellicht heeft U opgemerkt, dat de media levensstijlen van de "rijken en beroemdheden" beschrijft. Deze aantrekkingskracht voor de zintuigen bevestigt opnieuw een vals concept, dat geld en luxe uitgelegd worden als geluk. Feitelijk kan niets verder van de waarheid af zijn! Let op het standpunt van Jezus Christus.
Tijdens een reis door een stad verzamelde een menigte zich rond Jezus om Hem te horen spreken. Bij deze gelegenheid vroeg iemand om een ongewone gunst. "Meester, zeg tot mijn broeder, dat hij de erfenis met mij dele". (Lucas 12:13) Let op het antwoord van Jezus: "Mens, wie heeft Mij tot rechter of scheidsman over u aangesteld? Hij zeide tot hen: Ziet toe, dat gij u wacht voor alle hebzucht, want ook als iemand overvloed heeft, behoort zijn leven niet tot zijn bezit". (Lucas 12:14-15)
Het Griekse woord, dat in de verklaring van Christus werd gebruikt is pleonexia, hetgeen letterlijk betekent "een zucht naar meer" dan wat God bedoelde. (Matthew Henry's Commentary on the Whole Bible, [ Matthew Henry, Commentaar op de hele Bijbel], 1991, pag. 1865-1866) Waarschijnlijk wilde deze persoon meer dan zijn eerlijke deel, volgens Israëls wetten inzake erfenis, van zijn broer. Zonder daarop te letten bemerkte Jezus duidelijk een hebzuchtige houding in de jonge man, welke Hij aan de orde trachtte te stellen.
Jezus confronteerde de hebzuchtige houding van deze man door een verhaal te vertellen over een rijke man, wiens overvloedige oogst voor een probleem zorgde. Jezus verklaarde, de rijke man redeneerde bij zichzelf: "Wat moet ik doen, want ik heb geen ruimte om mijn vruchten te bergen". (Lucas 12:17) Zijn gedachten illustreren zijn zonde - de zonde van zelfzucht en onachtzaamheid. Hij veronachtzaamde om God te danken voor al zijn overvloed. En hij sloeg geen acht op de echte noden van anderen. (v.18-19) De rijke man moest "rijk zijn in goede werken, vrijgevig en mededeelzaam". (1 Timoteüs 6:18) In plaats daarvan was hij totaal gericht op een zelfgerichte levensstijl. God oordeelde daarom: "In deze eigen nacht wordt uw ziel van u afgeëist en wat gij gereedgemaakt hebt, voor wie zal het zijn? Zo vergaat het hem, die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God". (Lucas 12:20-21)
Christus had de houding van de betrokken persoon duidelijk bemerkt door deze parabel te vertellen nadat Hij over een vermogenstwist werd ondervraagd. Hier was iemand, wiens aandacht gericht was op wereldse zaken en op het verwerven van meer dingen, waardoor Christus in staat was om een algemeen menselijke neiging aan de orde te stellen: dat wij het veel gemakkelijker vinden om opgewonden te raken over het hier en nu te krijgen en te hebben, dan ons in te spannen voor het Koninkrijk van God. Een verkeerde benadering op dit gebied leidt tot verkeerde prioriteiten op elk gebied van onze levens. Tegenwoordig hebben vele gezinnen in onze westerse wereld hun kinderen op het altaar van het materialisme geofferd, zodat zij meer dingen kunnen hebben. Er wordt gevaarlijk afgeweken van prioriteiten en de gemeenschap betaalt een vreselijke prijs.
Wij moeten ook opmerken, dat Christus de man niet veroordeelde of afkeurde vanwege zijn rijkdom of het ontvangen van een overvloedige oogst. Integendeel; Hij keurde hem af, omdat hij niet rijk was jegens God. In deze parabel werd de overvloed van de rijke man, zijn god - het object van zijn vertouwen. De Apostel Paulus behandelde uitvoerig het probleem van hebzuchtigheid en het meer willen hebben dan God bedoelde. Hij leerde, "maar wie rijk willen zijn, vallen in verzoeking, in een strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf en ondergang. Want de wortel van alle kwaad is de geldzucht. Door daarnaar te haken zijn sommigen van het geloof afgedwaald en hebben zich met vele smarten doorboord". (1 Timoteüs 6:9-10) Deze verzen maken duidelijk wat Jezus werkelijk bedoelt. Hebzucht - een zelfzuchtig verlangen naar een overdadigheid van dingen - zal een persoon zijn leven kosten en als hij zich er niet van bekeert, zijn eeuwig leven! Als mensen van rijkdom hun belangrijkste doel maken zullen zij naar elk soort compromis en zonde worden geleid. Door de eeuwen heen is er praktisch niets nagelaten en geen gebod ongebroken gelaten, op zoek naar materiele rijkdom.
Overvloedige rijkdom en bezittingen kunnen ons een vals veiligheidsgevoel geven. Het ineenstorten van de effectenbeurs, een zakelijk fiasco, inflatie of een aantal andere crisissen, die deze rijkdom kunnen bedreigen, kunnen op hun beurt grote angst voortbrengen. Sommigen worden zo in beslag genomen door hun rijkdom als een bron van veiligheid, dat zij nauwelijks in staat zijn om aan iets anders te denken. De wijze Koning Salomo merkte op, dat "de verzadiging van de rijke laat hem in het geheel niet slapen". (Prediker 5:12) Ware Christenen moeten niet vertouwen op "onzekere rijkdommen" van deze wereld, maar op de ene en echte ware God, die hun eeuwig leven zal geven. God wil zien, waar wij ons geloof op stellen en wat onze ware prioriteiten in het leven zijn.
Jezus droeg Zijn volgelingen op: "Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles [onze fysieke noden] zal u bovendien geschonken worden". (Matteüs 6:33) Ware en duurzame rijkdom is geestelijk en komt voort van God. Deze ware geestelijke rijkdommen houden levend geloof en goddelijke rechtvaardigheid in. Dit vereist, dat wij ons totale vertouwen in de Vader stellen, "Die ons alle dingen rijkelijk verleent, om te genieten". (1 Timoteüs 6:17 - SV)
• • • • • • •
Leest U al ons Engelstalig tijdschrift Tomorrow's World, waar profetie tot leven komt ?
• • • • • • •
|